Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0465

Datum uitspraak2006-09-15
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/641174-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

De officier van justitie heeft oplegging van de ISD-maatregel gevorderd. Hoewel in deze zaak voldaan wordt aan de formele vereisten voor het opleggen van de maatregel, is de rechtbank van oordeel dat deze sanctie hier niet de meest passende reactie is. Uit de opgestelde rapportages, bezien in samenhang met de eigen indruk die ter terechtzitting van verdachte is verkregen, kan genoegzaam worden afgeleid dat oplegging van de maatregel geen reëel uitzicht op resocialisatie van verdachte biedt. De plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders zal er naar alle waarschijnlijkheid toe leiden dat verdachte de komende twee jaar enkel wordt opgesloten. De ISD is echter tevens bedoeld om degenen die bereid en enigszins in staat zijn een resocialisatieprogramma te laten doorlopen om tot recidivevermindering in de toekomst te laten komen. Niet kan worden aangenomen dat verdachte, mede gezien zijn psychiatrische problematiek en zijn zwakbegaafdheid, een dergelijk programma met enig resultaat zal kunnen doorlopen.


Uitspraak

Parketnummer: 10/641174-06 Datum uitspraak: 15 september 2006 Tegenspraak VONNIS van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: [naam verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres] te [woonplaats], ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen [naam Penitentiaire Inrichting], raadsman mr. Noppen, advocaat te Rotterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2006. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als A1 tot en met A2, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Bonnes heeft gerequireerd tot: - bewezenverklaring van het ten laste gelegde; - oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar. BEWEZENVERKLARING Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 21 mei 2006 te Rotterdam in een winkelpand gelegen aan de Hoogstraat met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie dozen met als inhoud onderbroeken, toebehorende aan Euroland. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. BEWIJSMOTIVERING De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen. STRAFBAARHEID FEIT Het bewezen feit levert op: diefstal Het feit is strafbaar. STRAFBAARHEID VERDACHTE De verdachte is strafbaar. STRAFMOTIVERING De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is een winkel binnengegaan, heeft een drietal dozen met daarin onderbroeken weggenomen en heeft vervolgens de winkel verlaten zonder te betalen. Verdachte heeft verklaard dat hij de onderbroeken wilde verkopen en dat hij van de opbrengst 'iets leuks wilde kopen'. Door het plegen van diefstallen als voornoemd worden winkeliers en, weliswaar indirect, ook consumenten in financieel opzicht benadeeld. Bovendien dragen diefstallen bij aan algemene gevoelens van maatschappelijke onrust en onveiligheid. Verdachte heeft in het geheel geen rekening gehouden met deze gevolgen van zijn handelen, maar heeft zich uitsluitend laten leiden door zijn behoefte aan geldelijk gewin. Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van korte duur. De officier heeft oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders gevorderd. Hoewel in het onderhavige geval zonder meer wordt voldaan aan de formele vereisten voor het opleggen van de maatregel is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van deze sanctie in het onderhavige geval niet de meest passende reactie is. Hierbij wordt als volgt overwogen. Ingevolge het bepaalde in artikel 38m, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht strekt de maatregel in de eerste plaats tot beveiliging van de maatschappij en tot beëindiging van de recidive van de verdachte. Daarnaast dient sprake te zijn van een enigzins reëel uitzicht op resocialisatie van de geplaatste. Uit rapportage opgemaakt door drs. B.F. Hoek, klinisch psycholoog en beëdigd deskundige, d.d. 10 augustus 2006 kan worden afgeleid dat verdachte een man betreft met een zeer lage intelligentie (zwakbegaafdheid) en dat er sprake is van middelengebruik en een chronisch psychiatrische stoornis. Verdachte loopt al zo lang mee in het circuit van hulpverlening, dat de vraag gesteld moet worden of er nog wel behandelmogelijkheden zijn. Betrokkene lijkt niet gemotiveerd en lijkt de noodzaak van verandering niet in te (kunnen) zien. Plaatsing in een (semi-)gesloten inrichting of een strikte vorm van begeleid wonen lijkt wenselijk en niet anders dan met grote inspanning (en waarschijnlijk constante begeleiding) kan de zelfredzaamheid van verdachte (misschien) nog naar een basaal niveau worden getild, doch het verleden wijst uit dat alle pogingen tot verandering (en alle goede inzet van hulpverleners) niets hebben opgeleverd, zo concludeert de deskundige. Uit voorlichtingsrapportage opgemaakt door N. Koenen en E. Blaauw van Bouman GGZ, verslavingsreclassering, d.d. 24 augustus 2006 kan worden afgeleid dat verdachte bij een risicometing door middel van RISc ten aanzien van het recidivegevaar op meerdere levensgebieden hoog scoort. Verdachte heeft geen reëel besef van zijn problemen. Er is reeds sprake van een strak zorgnetwerk rondom verdachte, bestaande uit Riagg en Bouman GGZ, dat ontoereikend blijkt te zijn daar betrokkene nog steeds veelvuldig recidiveert. Zeer intensieve 24-uursbegeleiding binnen een Beschermde Woonvorm lijkt het beste, waar verdachte continu onder toezicht staat. Opname op vrijwillige basis bleek niet uitvoerbaar daar verdachte zeer duidelijk te kennen gaf niet bij zijn moeder weg te gaan en in het verleden is al vergeefs geprobeerd verdachte te laten opnemen middels een Rechtelijke Machtiging of IBS. Het opzetten van interventies die kans van slagen hebben zijn dan ook niet aan de orde. De module verblijf binnen de Inrichting voor Stelselmatige Daders te Hoogvliet resteert daardoor als enige zinvolle module ter vermindering van de kans op recidive door verdachte, zo wordt geconcludeerd. Uit de hiervoor besproken rapportages, bezien in samenhang met de eigen indruk die ter terechtzitting van verdachte is verkregen, kan genoegzaam worden afgeleid dat oplegging van de maatregel geen reëel uitzicht op resocialisatie van verdachte biedt. De plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders zal er naar alle waarschijnlijkheid toe leiden dat verdachte de komende twee jaar enkel wordt opgesloten. De ISD is echter tevens bedoeld om degenen die bereid en enigszins in staat zijn een resocialisatieprogramma te laten doorlopen om tot recidivevermindering in de toekomst te laten komen. Niet kan worden aangenomen dat verdachte, mede gezien zijn psychiatrische problematiek en zijn zwakbegaafdheid, een dergelijk programma met enig resultaat zal kunnen doorlopen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank geen plaats voor het opleggen van de ISD-maatregel. De vordering tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt dan ook afgewezen. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 22 mei 2006 reeds vele malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN Gelet is op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING De rechtbank: - verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; - stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit; - verklaart de verdachte strafbaar; - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 (drie) weken; - beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Dit vonnis is gewezen door: mr. Buizer, voorzitter, en mrs. Van Boven en Koningsveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Empelen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 september 2006. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.